Wettelijke onderschepping

 

Betrokken ondernemingen

De ondernemingen die onderworpen zijn aan verplichtingen ter zake zijn niet alleen de operatoren in de zin van artikel 2, 11°, van de telecomwet, gelet op de operationele behoeften van de bevoegde autoriteiten, en in het bijzonder van de gerechtelijke autoriteiten en van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.  Elke wettelijke bepaling moet afzonderlijk worden onderzocht om het persoonlijke toepassingsgebied ervan te bepalen.  Het BIPT spreekt zich niet uit over het toepassingsgebied van het Wetboek van Strafvordering, noch van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Verplichtingen

Artikel 9, § 7, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (verder de telecomwet) bevat principiële verplichtingen voor de aanbieders van private elektronische communicatienetwerken of elektronische-communicatiediensten die niet openbaar zijn, aanbieders die geen operator zijn in de betekenis van de telecomwet.  Tot op heden is dat artikel evenwel niet uitgevoerd.

Vanuit het oogpunt van het BIPT zijn de voornaamste verplichtingen van de operatoren inzake wettelijke onderschepping de volgende:

  • de identificatie van hun klanten, inclusief als ze gebruikmaken van een voorafbetaalde kaart (zie FAQ’s over dat onderwerp op deze site);
  • de bewaring van de identificatiegegevens en van de verkeers- en locatiegegevens;
  • de verstrekking, op basis van requisitoirs, van gegevens aan de bevoegde autoriteiten en deelname aan het informaticaproject van de NTSU-CTIF voor de centralisatie en automatisering van de vragen en van de antwoorden (“Tank”); 
  • de levering aan het BIPT van statistieken over de aanvragen van deze autoriteiten met betrekking tot de gegevens die krachtens artikel 126 van de telecomwet worden bewaard;
  • de oprichting van de coördinatiecel, die tot doel heeft de levering door de operator van gegevens aan de autoriteit die ze verlangt, te vergemakkelijken.


Het BIPT heeft een website tot stand gebracht (zie rubriek “melding van incidenten en praktische informatie”) om de toegang voor de bevoegde autoriteiten tot de contactgegevens van de leden van de coördinatiecel te vergemakkelijken.

Controle en sanctie

Het BIPT is belast met de controle van de naleving van de wetgeving (zie wettelijk kader), met uitzondering van het Wetboek van Strafvordering en van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Aangezien de bepalingen die door het BIPT worden gecontroleerd, strafrechtelijk worden bestraft, zullen de inbreuken op deze wetgeving in principe worden vastgesteld door de officieren van gerechtelijke politie van het BIPT en zal de inbreukprocedure worden toegepast hetzij door de Raad van het BIPT, hetzij door de procureur des Konings.

Wettelijk kader

1. Wat betreft de identificatie door de operatoren van hun eindgebruikers:  

a. artikel 127 van de telecomwet;
b. het koninklijk besluit van 27 november 2016 betreffende de identificatie van de eindgebruiker van mobiele openbare elektronische-communicatiediensten die worden geleverd op basis van een voorafbetaalde kaart; artikel 19 van dat koninklijk besluit is uitgevoerd doorhet koninklijk besluit van 24 februari 2017 tot aanwijzing van de politiedienst bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 27 november 2016  en door een reeks ministeriële besluiten(zie rubriek “wettelijke onderschepping” inlink)

2. Wat betreft de bewaring van identificatiegegevens en van metadata door de operatoren:

a. de artikelen 2, 74°,126 en 126/1 van de telecomwet;
b. het koninklijk besluit van 19 september 2013 tot uitvoering van artikel 126;
c. het koninklijk besluit van 11 januari 2018 tot aanwijzing van de politiedienst bedoeld in artikel 126, § 2, 5°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie

3. Wat betreft de medewerking van de operatoren met de gerechtelijke autoriteiten en met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten:

a. de artikelen 46bis,88bisen 90ter en quater van het Wetboek van Strafvordering;
b. de artikelen 18/7, 18/8, 18/17 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst;
c. het koninklijk besluit van 12 oktober 2010 houdende de nadere regels voor de wettelijke medewerkingsplicht bij vorderingen door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten met betrekking tot elektronische communicatie (uitvoering van de telecomwet en van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst);
d. het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie (uitvoering van de telecomwet en van het Wetboek van Strafvordering);